Fietsen in een gelukkig land: Campanië

Noord-Italianen vinden alles onder Napels chaos. Lapzwansen zijn het daar, en anders wel maffiozen. Ooit was Campania inderdaad het terrein van de Camorra. Maar nu heerst er rust in de heuvels, zelfs aan de kust. Welkom in het Zuiden!

Het is een druilzomer en al bijna september. De winterdip ligt voor de deur. ‘Ga mee’, zeg ik tegen kouwelijke Lies. ‘Fietsen in Zuid-Italië!’ ‘Brr’, zegt zij somber. ‘Het zal wel.’ Het zal inderdaad. Het is makkelijk, fietsen in Campanië. Er is een vliegmaatschappij die goedkoop op Napels vliegt, en er is een kust met knusse dorpjes en een onbekend maar prachtig heuvellandschap erachter. En last but not least: het is er warm!
Zo zitten we enkele weken later op het terras van de Bar Nazionale in Capaccio, een stadje met een station, vlak bij de tempelruïnes van Paestum. Het is vijf uur ’s middags, de stad herstelt van de hitte overdag. Fluitend komt Pino op ons af. ‘De fietsen staan klaar!’, zegt hij in onberispelijk Duits. ‘Bellissima!’, roepen wij in minder onberispelijk Italiaans, voor we onze benen over de stang slaan. Nog net op tijd voor een zonsondergang achter de tempels, komen we bij de ruïnes van Paestum aan.

Kersverse verrukking

Campania felix, ‘het gelukkige land’. Het is de bijnaam die de Romeinen bedachten voor het gebied waar we nu fietsen. Bij Paestum, waar enorme pilaren van de Griekse tempels opvlammen in het laatste restje zon, geloven we dat zo. In de flaneerstraat erachter, waar de dorpelingen hun passeggiata doen, eveneens. Een stel − zij rode hakjes en rood tasje, hij galant de arm gebogen zodat zij eraan kan hangen − schrijdt langs de bijna verlaten toeristenstalletjes. Ze zien onze kersverse verrukking. ‘Mooi hier hè?’, zeggen ze.

De Romeinen hebben gelijk. Iedereen lijkt gelukkig in Campanië. Slechts één keer horen we geklaag. Giuseppe Spagnuolo moppert. Hij is zelfbenoemd toezichthouder in het verlaten dorp Roscigno. ‘Zo gelukkig is Campanië niet hoor’, bromt hij. ‘De mensen zijn niet meer sociaal, zoals vroeger.’ Maar, blijkt al snel, Giuseppe is een beroepsbrompot.

campanie-paestum-italie

Dorpen en strandjes

Het eerste weekend in het Zuiden vinden we een feest. Het is zo warm dat zelfs de Italianen het heet vinden. Massaal trekken ze naar de zee waar wij die dag langsfietsten, het mooie stukje Tyrreense kust dat de Campaniërs lekker voor zichzelf houden. Het is zo’n kust met lieve dorpen en strandjes met uitzicht op rotsen in zee, eet- en drinktentjes bij de hand.

In Santa Maria di Castellabate, een dorp met een plein van zand dat overloopt in het strand, en misschien wel het mooiste haventje van de hele Italiaanse kust, namen we zelf een duik. Aan de Baia di Trentova strijken we neer bij een strandje waar de Italianen dat massaal ook doen. Ze zijn er op hun schattigst. Een man met een ijsje trekt zijn dochter naar zich toe. Pubers in zee doen filmsterren na. Een hippe eigenaar van een bar aan zee aait over zijn gladgeschoren schedel en vraagt of wij het mooi vinden, kale mannen. ‘Wij Zuid-Italianen blijven altijd Zuid-Italianen’, zegt hij zonder een antwoord af te wachten. ‘Ook ik. Terwijl ik toch een half jaar in Delft heb gewoond. Dat wij ons niet houden aan de afspraken is waar. Maar dat we daar veel mee bereiken ook. Misschien wel meer dan jullie met al jullie afspraken en vergaderingen?’

campanie-monticello-fietsen

Het binnenland van Campanië

Na een bezoek aan Palinuro duiken we het binnenland in. Of duiken… Het gaat rechtstandig omhoog de bergen in. Een gevecht waarbij we in Futani worden lastiggevallen door het dorpskliertje Luigi. Hij probeert onze banden leeg te laten lopen. Maar het binnenland kan dan al niet meer stuk: het land ligt erbij alsof er nooit iemand naar omkijkt, maar het is van een schoonheid die je maar zelden ziet.

De binnenlandse heuvels en kleine dorpen zijn nog veel mooier dan het landschap langs de kust. Stiller bovendien, en de mensen hebben er lol. Angelina (87) uit Stio bijvoorbeeld lacht zich suf. Ze kletst in het Italiaans een hele encyclopedie bij elkaar, grijpt je met twee handen bij de arm, en schatert het uit van het lachen. Een buurvrouw die erbij komt staan krijgt al even onbedaarlijk de slappe lach. Adèle Trotta, eigenares van de Bed and Breakfast waar we logeren, legt uit dat ze waarschijnlijk om zichzelf lachten. ‘Angelina is een fenomeen’, zegt ze. ‘Zij is doordrenkt met wat men typisch voor Stio noemt: galgenhumor.’Adèle is in het dorp ook al een bekende. Men kent haar als Adèle r’ li Paternuostri − dialect voor Onzevader, een bijnaam die volgens de overlevering te maken heeft met het kindoffer dat in dit huis is gebracht in ruil voor de kip met de gouden eieren.

Van een duivels arrangement is bij Adèle niets meer te merken. De oud-lerares Engels is als een moeder, vriendin en leraar, en verwent haar gasten met de meest fantastische hapjes en verhalen uit de streek. Stio koesteren we als een zojuist opgegraven schat. De mensen maar ook het dorp zelf blijven verbazen. Overal zijn er krullende steegjes met hofjes en planten. We kunnen blijven dwalen. Het heeft één nadeel: we komen niet weg. De volgende ochtend wil iedereen die ons de avond ervoor heeft gezien nog even een praatje maken, komen we niet onder een bezoek aan het plaatselijke museum uit, en ontvoert Angelina ons omdat we de kapel waar zij het Salve Regina bidt moeten zien. Wat een dorp!

Roscigno Vecchio

Fietsen door de omgeving van Stio is ook al iets wat je je leven lang zou willen blijven herhalen. De schepping is hier uitstekend gelukt. De weg naar Laurino en verder door naar Piaggine heeft de maker gelardeerd met heuvels en vergezichten, bonkige rotsen, al dan niet voorzien van verlaten olijfboomgaarden, groene hellingen en dorpen voor de broodnodige verversingen.

Overal zitten kaartende mannen en kletsende vrouwen bij elkaar. In elk dorp hebben we, met tien woorden Italiaans, contact. Het gaat vanzelf. In Laurino zitten we dankzij een heftige onweersbui urenlang vast in een kroeg. De bouwvakkers die er noodgedwongen ook wachten, jagen ons op de kast en vechten wie ons mag trakteren.

Op de laatste dag fietsen we bijna door Roscigno Vecchio heen (je moet even een stukje van de weg af: absoluut doen!). Een verlaten dorp, waar een soort openluchtmuseum van is gemaakt; er zijn festivals en het is prachtig. Giuseppe Spagnuolo heeft de sleutels van de afgesloten huizen, en laat je desgewenst het mooiste huis zien. Roscigno is keurig en toch is niet alles er doodgeregeld. Een man als Giuseppe zou bij ons misschien als een zwerver worden verjaagd. Hij wordt door de Italianen gewaardeerd. Maar Giuseppe zelf knort op de Campaniërs. ‘Het is hier geen gelukkig land meer.’ Maar we weten niet of we dat serieus moeten nemen. Giuseppe knipoogt er in elk geval vet bij. ‘Hier’, zegt hij, terwijl hij trossen druiven en verse vijgen voor ons pakt, ‘uit eigen tuin. Opeten!’

campanie-roscigno-vecchio

Dit artikel is geschreven door Marjolein Rotterdam en verscheen eerder in Op Pad.

Ontdek deze reis:
Het gelukkige land Campania. Een 9-daagse individuele fietsvakantie in Italië langs hotels en agriturismo’s. Vanaf € 840.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *